Noodweer en Noodweerexces.
Zoals beschreven in wikipedia
Noodweer is in het Nederlandse strafrecht een algemene wettelijke strafuitsluitingsgrond, neergelegd in artikel 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht. De wettekst is sinds de invoering in 1886 ongewijzigd:
Niet strafbaar is hij, die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Noodweer rust op twee pijlers, de zelfbescherming en de rechtbescherming. Noodweer is behalve de bescherming van jezelf of anderen, ook de verdediging van het recht tegenover het onrecht. Noodweer wordt tegenwoordig algemeen gezien als een rechtvaardigingsgrond, die de wettelijke voorwaarden noemt waaronder het plegen van een strafbaar feit alsnog gerechtvaardigd is. Noodweer is het laatste restje eigenrichting en is daarom aan strenge voorwaarden gebonden.
Subsidiariteit en proportionaliteit
Noodweer moet als rechtvaardigingsgrond voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit wordt verwoord in het ‘geboden zijn door de noodzakelijke verdediging’. Op dit vereiste stranden de meeste beroepen op noodweer. Het vereiste van subsidiariteit houdt o.a. in, dat noodweer het laatste redmiddel moet zijn. Een beroep op noodweer wordt immers gedaan als iemand in zijn verdediging een strafbaar feit (bv. mishandeling) heeft gepleegd. Hij dient zich in te spannen om indien hij wordt aangerand, het plegen van een strafbaar feit te vermijden. Iemand die wordt aangerand, dient allereerst te proberen om aan de aanranding te ontkomen. Het subsidiariteitsbeginsel wordt niet zo streng opgevat in geval van langdurig huiselijk geweld. Dan kan het veel moeilijker zijn om zich aan de aanranding te onttrekken: dat zou veelal betekenen dat zij hun partner en de woning zouden moeten verlaten (HR 16-11-2004, Delict&Delinquent 31.3). De rechtspraak blijkt gewicht toe te kennen aan deze zgn. vluchtplicht. Deze vluchtplicht is in de dogmatiek echter zeker niet onomstreden. Vooral schrijvers die het rechtbeschermingskarakter van noodweer benadrukken zijn kritisch. Veelal wordt gewezen op het adagium dat “het recht voor het onrecht niet hoeft te wijken”. Niet altijd wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen een vluchtplicht die geldt tijdens aanranding, of een vermijdplicht die reeds zou gelden ver voordat er van een aanranding sprake is. Deze laatste kan ook aan de orde komen bij culpa in causa.
Het vereiste van proportionaliteit houdt in, dat het door de verdediging geschade belang in een redelijke verhouding staat met het beschermde belang. De aangerandde dient dus rekening te houden met de belangen van zijn aanrander, hoe moeilijk dat emotioneel ook kan zijn. Bij de verdediging dient het minst zware verdedigingsmiddel gekozen te worden. Ook dient van het gekozen middel een terughoudend gebruik te worden gemaakt.